Aanlijken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iklijk aanlijkte aan;leek aanheb aangelijkt;heb aangeleken
jij, je, ulijkt aanlijkte aan;leek aanhebt aangelijkt;hebt aangeleken
hij, zij, hetlijkt aanlijkte aan;leek aanheeft aangelijkt;heeft aangeleken
wijlijken aanlijkten aan;leken aanhebben aangelijkt;hebben aangeleken
jullielijken aanlijkten aan;leken aanhebben aangelijkt;hebben aangeleken
zij, zelijken aanlijkten aan;leken aanhebben aangelijkt;hebben aangeleken