Aanmunten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmunt aanmuntte aanheb aangemunt
jij, je, umunt aanmuntte aanhebt aangemunt
hij, zij, hetmunt aanmuntte aanheeft aangemunt
wijmunten aanmuntten aanhebben aangemunt
julliemunten aanmuntten aanhebben aangemunt
zij, zemunten aanmuntten aanhebben aangemunt