Aanpoten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikpoot aanpootte aanheb aangepoot
jij, je, upoot aanpootte aanhebt aangepoot
hij, zij, hetpoot aanpootte aanheeft aangepoot
wijpoten aanpootten aanhebben aangepoot
julliepoten aanpootten aanhebben aangepoot
zij, zepoten aanpootten aanhebben aangepoot