Aanprijzen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikprijs aanprees aanheb aangeprezen
jij, je, uprijst aanprees aanhebt aangeprezen
hij, zij, hetprijst aanprees aanheeft aangeprezen
wijprijzen aanprezen aanhebben aangeprezen
jullieprijzen aanprezen aanhebben aangeprezen
zij, zeprijzen aanprezen aanhebben aangeprezen