Aanstormen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikstorm aanstormde aanben aangestormd
jij, je, ustormt aanstormde aanbent aangestormd
hij, zij, hetstormt aanstormde aanis aangestormd
wijstormen aanstormden aanzijn aangestormd
julliestormen aanstormden aanzijn aangestormd
zij, zestormen aanstormden aanzijn aangestormd