Aanwijzen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikwijs aanwees aanheb aangewezen
jij, je, uwijst aanwees aanhebt aangewezen
hij, zij, hetwijst aanwees aanheeft aangewezen
wijwijzen aanwezen aanhebben aangewezen
julliewijzen aanwezen aanhebben aangewezen
zij, zewijzen aanwezen aanhebben aangewezen