Aanzweten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikzweet aanzweette aanheb aangezweten
jij, je, uzweet aanzweette aanhebt aangezweten
hij, zij, hetzweet aanzweette aanheeft aangezweten
wijzweten aanzweetten aanhebben aangezweten
julliezweten aanzweetten aanhebben aangezweten
zij, zezweten aanzweetten aanhebben aangezweten