Achteruitslaan

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iksla achteruitsloeg achteruitheb achteruitgeslagen
jij, je, uslaat achteruitsloeg achteruithebt achteruitgeslagen
hij, zij, hetslaat achteruitsloeg achteruitheeft achteruitgeslagen
wijslaan achteruitsloegen achteruithebben achteruitgeslagen
jullieslaan achteruitsloegen achteruithebben achteruitgeslagen
zij, zeslaan achteruitsloegen achteruithebben achteruitgeslagen