Adelen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikadeladeldeheb geadeld
jij, je, uadeltadeldehebt geadeld
hij, zij, hetadeltadeldeheeft geadeld
wijadelenadeldenhebben geadeld
jullieadelenadeldenhebben geadeld
zij, zeadelenadeldenhebben geadeld