Afbestellen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikbestel afbestelde afheb afbesteld
jij, je, ubestelt afbestelde afhebt afbesteld
hij, zij, hetbestelt afbestelde afheeft afbesteld
wijbestellen afbestelden afhebben afbesteld
julliebestellen afbestelden afhebben afbesteld
zij, zebestellen afbestelden afhebben afbesteld