Afbiljoenen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikbiljoen afbiljoende afheb afgebiljoend
jij, je, ubiljoent afbiljoende afhebt afgebiljoend
hij, zij, hetbiljoent afbiljoende afheeft afgebiljoend
wijbiljoenen afbiljoenden afhebben afgebiljoend
julliebiljoenen afbiljoenden afhebben afgebiljoend
zij, zebiljoenen afbiljoenden afhebben afgebiljoend