Afboeken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikboek afboekte afheb afgeboekt
jij, je, uboekt afboekte afhebt afgeboekt
hij, zij, hetboekt afboekte afheeft afgeboekt
wijboeken afboekten afhebben afgeboekt
jullieboeken afboekten afhebben afgeboekt
zij, zeboeken afboekten afhebben afgeboekt