Afbonken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikbonk afbonkte afheb afgebonkt
jij, je, ubonkt afbonkte afhebt afgebonkt
hij, zij, hetbonkt afbonkte afheeft afgebonkt
wijbonken afbonkten afhebben afgebonkt
julliebonken afbonkten afhebben afgebonkt
zij, zebonken afbonkten afhebben afgebonkt