Afbouwen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikbouw afbouwde afheb afgebouwd
jij, je, ubouwt afbouwde afhebt afgebouwd
hij, zij, hetbouwt afbouwde afheeft afgebouwd
wijbouwen afbouwden afhebben afgebouwd
julliebouwen afbouwden afhebben afgebouwd
zij, zebouwen afbouwden afhebben afgebouwd