Afdelen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikdeel afdeelde afheb afgedeeld
jij, je, udeelt afdeelde afhebt afgedeeld
hij, zij, hetdeelt afdeelde afheeft afgedeeld
wijdelen afdeelden afhebben afgedeeld
julliedelen afdeelden afhebben afgedeeld
zij, zedelen afdeelden afhebben afgedeeld