Afdieven

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikdief afdiefde afheb afgediefd
jij, je, udieft afdiefde afhebt afgediefd
hij, zij, hetdieft afdiefde afheeft afgediefd
wijdieven afdiefden afhebben afgediefd
julliedieven afdiefden afhebben afgediefd
zij, zedieven afdiefden afhebben afgediefd