Afdreigen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikdreig afdreigde afheb afgedreigd
jij, je, udreigt afdreigde afhebt afgedreigd
hij, zij, hetdreigt afdreigde afheeft afgedreigd
wijdreigen afdreigden afhebben afgedreigd
julliedreigen afdreigden afhebben afgedreigd
zij, zedreigen afdreigden afhebben afgedreigd