Afdrogen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikdroog afdroogde afheb afgedroogd
jij, je, udroogt afdroogde afhebt afgedroogd
hij, zij, hetdroogt afdroogde afheeft afgedroogd
wijdrogen afdroogden afhebben afgedroogd
julliedrogen afdroogden afhebben afgedroogd
zij, zedrogen afdroogden afhebben afgedroogd