Afdwingen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikdwing afdwong afheb afgedwongen
jij, je, udwingt afdwong afhebt afgedwongen
hij, zij, hetdwingt afdwong afheeft afgedwongen
wijdwingen afdwongen afhebben afgedwongen
julliedwingen afdwongen afhebben afgedwongen
zij, zedwingen afdwongen afhebben afgedwongen