Afharden

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikhard afhardde afheb afgehard
jij, je, uhardt afhardde afhebt afgehard
hij, zij, hethardt afhardde afheeft afgehard
wijharden afhardden afhebben afgehard
jullieharden afhardden afhebben afgehard
zij, zeharden afhardden afhebben afgehard