Afhouden

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikhou afhield afheb afgehouden
jij, je, uhoudt afhield afhebt afgehouden
hij, zij, hethoudt afhield afheeft afgehouden
wijhouden afhielden afhebben afgehouden
julliehouden afhielden afhebben afgehouden
zij, zehouden afhielden afhebben afgehouden