Afkiezen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikkies afkoos afheb afgekozen
jij, je, ukiest afkoos afhebt afgekozen
hij, zij, hetkiest afkoos afheeft afgekozen
wijkiezen afkozen afhebben afgekozen
julliekiezen afkozen afhebben afgekozen
zij, zekiezen afkozen afhebben afgekozen