Afklinken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikklink afklonk afheb afgeklonken
jij, je, uklinkt afklonk afhebt afgeklonken
hij, zij, hetklinkt afklonk afheeft afgeklonken
wijklinken afklonken afhebben afgeklonken
jullieklinken afklonken afhebben afgeklonken
zij, zeklinken afklonken afhebben afgeklonken