Afklokken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikklok afklokte afheb afgeklokt
jij, je, uklokt afklokte afhebt afgeklokt
hij, zij, hetklokt afklokte afheeft afgeklokt
wijklokken afklokten afhebben afgeklokt
jullieklokken afklokten afhebben afgeklokt
zij, zeklokken afklokten afhebben afgeklokt