Afkussen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikkus afkuste afheb afgekust
jij, je, ukust afkuste afhebt afgekust
hij, zij, hetkust afkuste afheeft afgekust
wijkussen afkusten afhebben afgekust
julliekussen afkusten afhebben afgekust
zij, zekussen afkusten afhebben afgekust