Aflichten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iklicht aflichtte afheb afgelicht
jij, je, ulicht aflichtte afhebt afgelicht
hij, zij, hetlicht aflichtte afheeft afgelicht
wijlichten aflichtten afhebben afgelicht
jullielichten aflichtten afhebben afgelicht
zij, zelichten aflichtten afhebben afgelicht