Afmuren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikmuur afmuurde afheb afgemuurd
jij, je, umuurt afmuurde afhebt afgemuurd
hij, zij, hetmuurt afmuurde afheeft afgemuurd
wijmuren afmuurden afhebben afgemuurd
julliemuren afmuurden afhebben afgemuurd
zij, zemuren afmuurden afhebben afgemuurd