Afreageren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikreageer afreageerde afheb afgereageerd
jij, je, ureageert afreageerde afhebt afgereageerd
hij, zij, hetreageert afreageerde afheeft afgereageerd
wijreageren afreageerden afhebben afgereageerd
julliereageren afreageerden afhebben afgereageerd
zij, zereageren afreageerden afhebben afgereageerd