Afrikaniseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikafrikaniseerafrikaniseerdeheb geafrikaniseerd
jij, je, uafrikaniseertafrikaniseerdehebt geafrikaniseerd
hij, zij, hetafrikaniseertafrikaniseerdeheeft geafrikaniseerd
wijafrikaniserenafrikaniseerdenhebben geafrikaniseerd
jullieafrikaniserenafrikaniseerdenhebben geafrikaniseerd
zij, zeafrikaniserenafrikaniseerdenhebben geafrikaniseerd