Afschemeren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikschemer afschemerde afheb afgeschemerd
jij, je, uschemert afschemerde afhebt afgeschemerd
hij, zij, hetschemert afschemerde afheeft afgeschemerd
wijschemeren afschemerden afhebben afgeschemerd
jullieschemeren afschemerden afhebben afgeschemerd
zij, zeschemeren afschemerden afhebben afgeschemerd