Afschepen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikscheep afscheepte afheb afgescheept
jij, je, uscheept afscheepte afhebt afgescheept
hij, zij, hetscheept afscheepte afheeft afgescheept
wijschepen afscheepten afhebben afgescheept
jullieschepen afscheepten afhebben afgescheept
zij, zeschepen afscheepten afhebben afgescheept