Afschermen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikscherm afschermde afheb afgeschermd
jij, je, uschermt afschermde afhebt afgeschermd
hij, zij, hetschermt afschermde afheeft afgeschermd
wijschermen afschermden afhebben afgeschermd
jullieschermen afschermden afhebben afgeschermd
zij, zeschermen afschermden afhebben afgeschermd