Afschreeuwen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikschreeuw afschreeuwde afheb afgeschreeuwd
jij, je, uschreeuwt afschreeuwde afhebt afgeschreeuwd
hij, zij, hetschreeuwt afschreeuwde afheeft afgeschreeuwd
wijschreeuwen afschreeuwden afhebben afgeschreeuwd
jullieschreeuwen afschreeuwden afhebben afgeschreeuwd
zij, zeschreeuwen afschreeuwden afhebben afgeschreeuwd