Afschrikken

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikschrik afschrikte afheb afgeschrikt
jij, je, uschrikt afschrikte afhebt afgeschrikt
hij, zij, hetschrikt afschrikte afheeft afgeschrikt
wijschrikken afschrikten afhebben afgeschrikt
jullieschrikken afschrikten afhebben afgeschrikt
zij, zeschrikken afschrikten afhebben afgeschrikt