Afsnuffelen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iksnuffel afsnuffelde afheb afgesnuffeld
jij, je, usnuffelt afsnuffelde afhebt afgesnuffeld
hij, zij, hetsnuffelt afsnuffelde afheeft afgesnuffeld
wijsnuffelen afsnuffelden afhebben afgesnuffeld
julliesnuffelen afsnuffelden afhebben afgesnuffeld
zij, zesnuffelen afsnuffelden afhebben afgesnuffeld