Afspioneren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikspioneer afspioneerde afheb afgespioneerd
jij, je, uspioneert afspioneerde afhebt afgespioneerd
hij, zij, hetspioneert afspioneerde afheeft afgespioneerd
wijspioneren afspioneerden afhebben afgespioneerd
julliespioneren afspioneerden afhebben afgespioneerd
zij, zespioneren afspioneerden afhebben afgespioneerd