Afsporen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikspoor afspoorde afheb afgespoord
jij, je, uspoort afspoorde afhebt afgespoord
hij, zij, hetspoort afspoorde afheeft afgespoord
wijsporen afspoorden afhebben afgespoord
julliesporen afspoorden afhebben afgespoord
zij, zesporen afspoorden afhebben afgespoord