Afstammen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikstam afstamde afheb afgestamd
jij, je, ustamt afstamde afhebt afgestamd
hij, zij, hetstamt afstamde afheeft afgestamd
wijstammen afstamden afhebben afgestamd
julliestammen afstamden afhebben afgestamd
zij, zestammen afstamden afhebben afgestamd