Afstemmen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikstem afstemde afheb afgestemd
jij, je, ustemt afstemde afhebt afgestemd
hij, zij, hetstemt afstemde afheeft afgestemd
wijstemmen afstemden afhebben afgestemd
julliestemmen afstemden afhebben afgestemd
zij, zestemmen afstemden afhebben afgestemd