Afsturen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikstuur afstuurde afheb afgestuurd
jij, je, ustuurt afstuurde afhebt afgestuurd
hij, zij, hetstuurt afstuurde afheeft afgestuurd
wijsturen afstuurden afhebben afgestuurd
julliesturen afstuurden afhebben afgestuurd
zij, zesturen afstuurden afhebben afgestuurd