Aftelegraferen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iktelegrafeer aftelegrafeerde afheb afgetelegrafeerd
jij, je, utelegrafeert aftelegrafeerde afhebt afgetelegrafeerd
hij, zij, hettelegrafeert aftelegrafeerde afheeft afgetelegrafeerd
wijtelegraferen aftelegrafeerden afhebben afgetelegrafeerd
jullietelegraferen aftelegrafeerden afhebben afgetelegrafeerd
zij, zetelegraferen aftelegrafeerden afhebben afgetelegrafeerd