Aftrompetten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
iktrompet aftrompette afheb afgetrompet
jij, je, utrompet aftrompette afhebt afgetrompet
hij, zij, hettrompet aftrompette afheeft afgetrompet
wijtrompetten aftrompetten afhebben afgetrompet
jullietrompetten aftrompetten afhebben afgetrompet
zij, zetrompetten aftrompetten afhebben afgetrompet