Afvorderen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikvorder afvorderde afheb afgevorderd
jij, je, uvordert afvorderde afhebt afgevorderd
hij, zij, hetvordert afvorderde afheeft afgevorderd
wijvorderen afvorderden afhebben afgevorderd
jullievorderen afvorderden afhebben afgevorderd
zij, zevorderen afvorderden afhebben afgevorderd