Afvragen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikvraag afvroeg afheb afgevraagd
jij, je, uvraagt afvroeg afhebt afgevraagd
hij, zij, hetvraagt afvroeg afheeft afgevraagd
wijvragen afvroegen afhebben afgevraagd
jullievragen afvroegen afhebben afgevraagd
zij, zevragen afvroegen afhebben afgevraagd