Afvreten

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikvreet afvrat afheb afgevreten
jij, je, uvreet afvrat afhebt afgevreten
hij, zij, hetvreet afvrat afheeft afgevreten
wijvreten afvraten afhebben afgevreten
jullievreten afvraten afhebben afgevreten
zij, zevreten afvraten afhebben afgevreten