Afwenden

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikwend afwendde afheb afgewend
jij, je, uwendt afwendde afhebt afgewend
hij, zij, hetwendt afwendde afheeft afgewend
wijwenden afwendden afhebben afgewend
julliewenden afwendden afhebben afgewend
zij, zewenden afwendden afhebben afgewend