Afwinnen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikwin afwon afheb afgewonnen
jij, je, uwint afwon afhebt afgewonnen
hij, zij, hetwint afwon afheeft afgewonnen
wijwinnen afwonnen afhebben afgewonnen
julliewinnen afwonnen afhebben afgewonnen
zij, zewinnen afwonnen afhebben afgewonnen