Afwonen

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikwoon afwoonde afheb afgewoond
jij, je, uwoont afwoonde afhebt afgewoond
hij, zij, hetwoont afwoonde afheeft afgewoond
wijwonen afwoonden afhebben afgewoond
julliewonen afwoonden afhebben afgewoond
zij, zewonen afwoonden afhebben afgewoond