Afzweren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikzweer afzwoer afheb afgezworen
jij, je, uzweert afzwoer afhebt afgezworen
hij, zij, hetzweert afzwoer afheeft afgezworen
wijzweren afzwoeren afhebben afgezworen
julliezweren afzwoeren afhebben afgezworen
zij, zezweren afzwoeren afhebben afgezworen