Allegoriseren

Presens
*onvoltooid tegenwoordige tijd
Imperfectum
*onvoltooid
verleden tijd
Perfectum
*voltooid tegenwoordige tijd
ikallegoriseerallegoriseerdeheb geallegoriseerd
jij, je, uallegoriseertallegoriseerdehebt geallegoriseerd
hij, zij, hetallegoriseertallegoriseerdeheeft geallegoriseerd
wijallegoriserenallegoriseerdenhebben geallegoriseerd
jullieallegoriserenallegoriseerdenhebben geallegoriseerd
zij, zeallegoriserenallegoriseerdenhebben geallegoriseerd